Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites.

Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

Ensor over het gebruik van vernis

print

Op basis van de gepubliceerde en ongepubliceerde geschriften van James Ensor kunnen de onderzoekers van het Ensor Reseach Project veel te weten komen over de artistieke keuzes van de kunstenaar. In dit artikel gaat Herwig Todts dieper in op Ensors houding ten opzichte van het gebruik van vernis.

Aan de voorzijde wordt de "buitenkant" van een schilderij vaak afgewerkt met een dunne laag vernis die de verflagen zou moeten beschermen tegen vuil, schade en aftakeling (deterioratie). Tot ver in de 19de eeuw werd "le vernissage" doorgaans beschouwd als "le complément presque indispensable de la peinture à l'huile." (Vrij vertaald: voor een olieverfschilderij is de vernislaag nagenoeg onontbeerlijk) 1. In Frankrijk was het in de loop van de 19de eeuw overigens gebruikelijk om kunstenaars die hun schilderijen in de jaarlijkse Salons tentoonstelden, de dag voor de opening de gelegenheid te geven om een schilderij zo nodig nog te voorzien van de vernislaag. De vooravond van de opening van een tentoonstelling heet daarom vernissage. Zelden of nooit is een vernislaag evenwel niets meer dan een onzichtbare beschermlaag. Vernis is een vloeistof waarin harsachtige substanties werden opgelost. Nadat een vernislaag is gedroogd kan ze het uitzicht van het schilderij ingrijpend veranderen: het hele oppervlak gaat lichtjes of zeer sterk blinken of glanzen en kleuren kunnen dieper (intenser, rijker ...) lijken. Het uitzicht van de vernislaag zelf kan na verloop van tijd ook veranderen. Vernislagen worden vaak geel. Precies daarom zouden in de 19de eeuw kunstenaars en restauratoren gaan experimenteren met gekleurde vernissen die bijvoorbeeld het "antieke" karakter van een geschilderde voorstelling kunnen versterken of die bepaalde kleureffecten mogelijk maken. Tegelijkertijd zullen de impressionisten (aanvankelijk in Frankrijk in de jaren 1870 en later wereldwijd) doelbewust afstand nemen van het traditionele uitzicht van een schilderij dat doorgaans wordt bepaald door een hoofdzakelijk tonale weergave van licht en schaduw waardoor diepte, volume en samenhang worden gecreëerd. De impressionisten werken met heldere en zuivere kleuren en verkiezen een mat, ongevernist schilderijoppervlak.

Briefwisseling

In enkele brieven aan de ondernemer en verzamelaar Edgar Picard heeft James Ensor kort na 1900 zijn standpunt ter zake uiteengezet. Picard was geboren in Oostende in 1849 maar vestigde zich in 1894 in Jemeppe-sur-Meuse waar hij een bedrijf opzette. In 1999 publiceerde Ensorkenner Xavier Tricot 59 brieven die Ensor van 9 maart 1905 tot 30 april 1910 aan Picard zond - Edgar Picard overleed drie maanden later. 2 Deze brieven vormen een nog onvoldoende bekende goudmijn voor de kennis van Ensors leven en werk. Ensor brengt verslag uit over zijn bezigheden als schilder, exposant, uitbater van 3 winkelpanden en onderverhuurder van 5 huizen, belegger en familieman. Hij bekent aan Picard dat hij droomt van een leven op het platteland ver van het lugubere Oostende en zijn onaangename inwoners. Ensor stelt aan Picard verschillende werken voor in de hoop dat de rijke liefhebber ze aan zijn verzameling zou toevoegen. Soms verloopt de zaak met succes, soms beantwoorden schilderijen kennelijk niet aan de verwachtingen van Picard. Ensor is evenmin bereid om op alle wensen van de verzamelaar in te gaan en weigert hem o.a. La vierge consolatrice / De vertroostende maagd (1892, Privéverzameling) te verkopen. Picard wordt wel de eigenaar van La dame sombre / De sombere dame (1881, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel), Les pochards / De dronkaards (1883, Verzameling Belfius, Brussel), Kreeft en krab (1890, voorheen Verzameling Graaf de Launoit, Brussel), Groot zicht op Mariakerke (1896, voorheen Verzameling Graaf de Launoit, Brussel), Squelette peintre / Schilderend geraamte (1896, KMSKA) en Zicht op Oostende (1898, Mu.Zee). Daarnaast verzamelde Picard etsen en tekeningen.

James Ensor, Haas en raaf 
1. Haas en raaf (eigenlijk een bonte kraai), 1883 (of 1882), doek 80 x 100 cm. Veiling De Vuyst Lokeren 13/12/2003, nr. 120. Voorheen verzameling Greiner, Seraing. Op het schilderij staat de datum 1883 maar in de eigenhandige lijst die Ensor in 1908 en 1921 opstelde, plaats hij het schilderij in 1882. 
James Ensor, Haas en raaf 
2. Haas en raaf (eigenlijk een bonte kraai), 1906/08?, doek 72 x 88 cm. Veiling De Vuyst Lokeren, 8/12/1990, nr. 354. Voorheen in de verzamelingen J. F. Van Missiel, Luik, en Jussiant Antwerpen.- Omdat de eigenhandige kopie zeer dicht bij het origineel staat werd het gedurende meer dan een halve eeuw beschouwd als een vroeg werk.

In diverse brieven komt De haas (1883, privéverzameling), een stilleven met een dode haas, een dode bonte kraai en een tinnen kom op een tafeltje, ter sprake. (De door Ensor geautoriseerde titel Haas en raaf is niet correct). Vermoedelijk wilde Ensor het schilderij graag aan Picard verkopen maar uiteindelijk kwam het schilderij terecht bij de schoonzoon van Picard, de heer Greiner in Seraing. Op 4 mei 1906 laat Ensor weten dat hij nog geen tijd heeft gevonden om de achtergrond van het schilderij bij te werken ("Je n'ai pu retoucher le fond du tableau Lièvre. Je le ferai bientôt.") Op 28 juni laat hij weten dat er in Oostende een tentoonstelling wordt georganiseerd waar hij De haas graag wil tentoonstellen. Op 21 juli komt het schilderij opnieuw ter sprake. Maar Ensors bericht is voor ons, niet-ingewijden, toch wat duister: "Wat de Haas aangaat, ik wacht de beslissing af betreffende het rood. (Quant au Lièvre, j'attends la décision concernant le rouge.)" In de achtergrond van het schilderij is er inderdaad een opvallend rood kledingstuk. Op 8 augustus laat Ensor weten dat hij de lijst die oorspronkelijk rond De haas zat, heeft gebruikt voor de tentoonstelling van een ander schilderij en dat hij het werk daarom graag oningelijst wil verzenden naar Jemeppe. De lijst komt opnieuw ter sprake in een brief van 20 augustus. "Vermits dit schilderij vraagt om een lijst, het effect zal niet volmaakt zijn, (en daarom) reken ik op uw goede smaak wat het inlijsten betreft, misschien zou een zwarte houtsoort of eik goed uitkomen. (Comme ce tableau demande un cadre, son effet ne sera pas complet et je compte sur votre bon goût concernant l'encadrement, peut-être un bois noir ferait-il bon effet ou chêne)".

De indruk van vernis

Heeft Ensor het op 28 april 1907 opnieuw over De haas of over Picards stilleven met Kreeft en krab (1890)? Hij schrijft: "Ik heb het stilleven gevernist. Ik vind dat het beter is om "de dronkaards" niet te vernissen. De fijne en matte grijzen vragen niet om een vernis. U kan dit beoordelen door met een natte spons over het schilderij te gaan. Dit geeft absoluut de indruk van vernis. Naar mijn mening zijn de tonen voornamer en beter ingekleed zonder vernis. Het geverniste stilleven daarentegen wint aan schittering en glans. Ik heb de tekening bijgewerkt zonder ze zwaarder te maken en ik heb ze gefixeerd. Ik geloof dat de schilderijen mooi zullen uitkomen en goed zullen afsteken tegen de mooie achtergrond van uw lievelingskamer. (J'ai verni la nature morte. Je trouve qu'il vaut mieux ne pas vernir "les pochards". Les gris fins et mats ne demandent pas le vernis. Vous pouvez en juger en passant une éponge mouillée sur la peinture. Cela fait absolument l'effet du vernis. A mon avis les tons sont plus distingués et plus enveloppés non vernis. Tout au contraire "la nature morte" vernie gagne en éclat et en brillant. J'ai retouché le dessin sans l'alourdir et l'ai fixé. [...] J'aime à croire que les tableaux feront bel effet et se détacheront bien sur le beau fond de votre chambre préférée.)" Het is niet mogelijk om uit te maken van welk stilleven Ensor vindt dat het beter uitkomt met een vernislaag: de nog overwegend tonaal opgevatte Haas van 1883 of het veel helderder stilleven, Kreeft en krab van 1890.
Twee jaar later komt de kwestie nogmaals ter sprake in een brief van 18 juni 1909. Ensor schrijft: "U zegt me dat u het schilderij zou (willen laten) vernissen. Ik verkies het grijs en mat en ik vrees de glans voor donkere tonen. Ik vind het schilderij harmonieus en met een mooi patina. Een lichte reiniging met gefilterd water. Het volstaat om over het schilderij te gaan met een spons bevochtigd met gefilterd regenwater. (Vous me parlez de vernir le tableau. Moi, je le préfère gris et mat et je crains le brilliant pour les tons foncés. Je trouve le tableaux harmonieux et d'une belle patine. Un léger lavage à l'eau filtrée. Il suffit de passer sur la toile une éponge humectée d'eau de pluie filtrée.)" 4

James Ensor, De oestereetster, KMSKA  
3. De oestereetster (oorspronkelijk Au pays des couleurs / In het land van de kleuren), 1882. Doek 207 x 105 cm. KMSKA inv. nr. 2073. Ensor verniste (en kopieerde) het schilderij vooraleer hij het in 1907 naar de commissie van het stedelijk Musée des Beaux-Arts de Liège zond als voorstel tot aankoop. Luik weigerde het schilderij dat vervolgens werd gekocht door Albin en Emma Lambotte die overigens enkele jaren eerder van Luik naar Antwerpen waren verhuisd.

Het is duidelijk dat Ensor niet zonder meer vond dat een vernislaag ononbeerlijk is voor een schilderij. In tegendeel zijn aandringen getuigt ontegensprekelijk van een grote kieskeurigheid ter zake. De grijze en donkere tonen in het schilderij De dronkaards zouden minder voornaam lijken onder een glanzende vernislaag. Maar De oestereetster (1882) vernist Ensor wel wanneer hij het schilderij in 1907 ter bezichtiging naar de aankoopcommissie van het Museum van Luik stuurt. 5 Verder onderzoek zou moeten uitwijzen of Ensor hier zonder meer aansluit bij de afwijzende houding van de Franse impressionisten (en Belgische neo-impressionisten zoals Willy Finch of Theo Van Rysselberghe) tegenover vernis of er een afwijkende mening op na houdt. En uiteraard moet het materiaaltechnisch onderzoek van Ensors schilderijen zelf leiden tot preciezere informatie over de afwezigheid van vernis en de aanwezigheid van originele vernislagen. 6

____________

'Peinture', in: La Grande Ecyclopédie. Inventaire Raisonné des sciences, des lettres et des arts, Tome 26, Parijs: Société Anonyme de la Grande Encyclopédie, (1899) , p. 254.
2 James ENSOR, Lettres (ed. Xavier Tricot), Brussel: Editions Labor, 1999, p. 530 - 603.
3 Opgenomen in Catalogue de l'oeuvre de James Ensor. Toiles et dessins, 1908 en correcties en aanvullingen 1921, handschrift, KMSKA Archief.
4 James ENSOR, Lettres (ed. Xavier Tricot), Brussel: Editions Labor, 1999, p. 594.
5 James ENSOR, Lettres, O.c., p. 632-5: uit de brieven van Ensor aan Armand Rassenfosse, graficus en illustrator dd. 24/12/1906, 28/12/1906 blijkt dat Rassenfosse bemiddelt voor een eventuele aankoop van La mangeuse d'huîtres / De oestereetster (1882) door het stedelijk Musée des Beaux-Arts de Liège. Maar vooraleer Ensor het schilderij naar Luik zendt wil hij een schets naar het schilderij maken wat zeer moeilijk en tijdrovend is. "Je tiens beaucoup à posséder une esquisse d'après ma meilleure oeuvre [...]". In een brief van Ensor aan Armand Rassenfosse dd. 12/02/1907, meldt Ensor dat de schets nagenoeg klaar is én dat Fierens-Gevaert De oestereetster graag in (op de Biënnale van) Venetië wil tentoonstellen omdat het volgens Fierens-Gevaert een van de beste werken is die Ensor heeft geschilderd: "il a beaucoup admiré cette peinture et la place au tout premier rang parmi toutes mes oeuvres. Cela me fait bien augurer du bon effet au musée de Liège. Il a longement insisté [...]" Hoe dan ook, Ensor zal het schilderij eerst aan het museum in Luik tonen. Terloops meldt hij eveneens dat hij het schilderij heeft gevernist en dat dat een uitstekende indruk geeft. "J'ai verni le tableau et il fait excellent effet." Ook van het stilleven Haas en raaf (eigenlijk bonte kraai) bestaat een tweede versie die Ensor als een "étude" liet opnemen in de catalogus van Grégoire LE ROY (James Ensor, Brussel: Van Oest, 1922, p. 191). Volgens deze catalogus (zie ook voetnoot 3) dateert de tweede versie van 1908. Terwijl Ensor de eerste versie al in 1906 of 1907 aan Edgar Picard zou zenden. De tweede versie van De oestereetster werd door Ensor 1882 gedateerd, terwijl hij in de lijst die hij aan Grégoire LE ROY bezorgde het schilderij een "réduction" noemt en in 1908 plaatst (zie voetnoot 3).
6 De online catalogus van het Research Project Painting Techniques of Impressionism and Postimpressionism/catalogue geeft informatie over de oorspronkelijk ongeverniste schilderijen van Willy Finch, Armand Guillaumin, Henri Edmond Corss, Paul Signac, Mary Cassat, Claude Monet, Henri Martin en Theo Van Rysselbergh in de verzameling van het Wallraf- Richartz-Museum (Fondation Corboud) in Keulen.

share

Correspondentieadres

Lange Kievitstraat 111-113 bus 100, B-2018 Antwerpen

T +32 (0)3 224 95 50