Jan Griffier I
Amsterdam 1645 - Londen 1718
olieverf op koperplaat
49 x 64 cm
Inventarisnummer 867
Tussen 1550 en 1850 waren de winters in onze contreien buitengewoon streng en de zomers relatief
koel. Weerkundigen noemen deze periode terecht de ‘kleine ijstijd’. Dankzij sneeuwlandschappen en
ijsgezichten van Hollandse schilders als
Jan Griffier I kunnen we ons een beeld vormen van de ijskoude winters die ons
vandaag bespaard blijven.
In
IJsvermaak kleurt de lucht grijs en roze. Het vriest dat het kraakt. Jong, oud, arm en
rijk zijn massaal vanuit de stad naar de bevroren vijver gekomen om zich op het ijs te begeven.
Overal zwieren mensen heen en weer. Anderen sleeën. Een rijke familie maakt een pleziertochtje in
een arrenslee. Links kan je een ijsschuit zien waarmee enkele figuren ijszeilen. Vooraan doet een
man zijn schaatsen aan. Een andere heer draagt een kolfstok, voorloper van de golfstok. Het
kolfspel was in die tijd zo populair dat het heel het jaar door gespeeld werd, ook in de winter op
het ijs. Aan de rand van de vijver staan kleine stalletjes met allerhande lekkernijen.
Op glad ijs
De vrieskou lijkt best leuk, maar heeft ook onaangename gevolgen. Rechts gaat een vrouw met een mand vol eieren hard onderuit. Enkele schaatsers helpen haar overeind. Bovendien hebben heel wat mensen lange stokken bij waarmee ze zich kunnen redden als ze door het ijs zakken. Ze bevinden zich immers op glad ijs.
