Alle meesterwerken

Altaarstuk van het schrijnwerker- ambacht

Quinten Massijs
  • Inventarisnummer 245 - 249
  • Datering 1511
  • Afmetingen 260 x 503 cm
  • Materiaal Olieverf op paneel
Lees meer
Schilderij Altaarstuk van het schijnwerkerambacht van Quinten Massijs

Drieluik van martelaars

Quinten Massijs schilderde dit altaarstuk in opdracht van de gilde van de schrijnwerkers. Centraal ligt het dode lichaam van Christus, dicht bij de toeschouwer. Op de zijluiken verhaalt hij de marteldood van de twee patroonheiligen van de schrijnwerkers. Links serveert Salome het hoofd van Johannes de Doper aan Herodes. Rechts kijkt keizer Domitianus toe hoe Johannes de Evangelist – stoïcijns – kookt in een ketel ziedende olie.

Van beeldhouwwerk tot schildering

In 1497 stichten de schrijnwerkers een eigen gilde in Antwerpen. Voor hun kapel in de Onze-Lieve-Vrouwekerk bestellen ze een altaarstuk bij twee Leuvense beeldhouwers. Het resultaat blijft uit. Ook een Antwerpse beeldhouwer werkt de opdracht niet af. Dus wenden ze zich tot Quinten Massijs. Die heeft al werk gemaakt van de zijpanelen. Hij koos voor een stijl die mooi zou aansluiten bij de geplande houtsculptuurkunst: overvol met energieke figuren, fantasierijke kostuums en sterke contrasten tussen licht en donker. Wanneer Massijs ook het centrumpaneel krijgt toegewezen, kiest hij voor een meer traditionele verbeelding die aanzet tot bezinning en gebed.

De Nood Gods

Het middenpaneel wordt ook weleens De Nood Gods genoemd. Het is een Bewening van Christus. Vooraan ligt Jezus. Samen met Maria en de apostel Johannes vormt hij het middelpunt. De drie protagonisten kleuren wit, blauw en rood. Een verwijzing naar eerdere Beweningen van de Vlaamse primitieven. Het landschap vertelt het verhaal. Je ziet het geopende rotsgraf, de moordenaars aan hun kruis, het lege kruis, een man die wegwandelt met de ladder, Jeruzalem en bergen in de verte. Een toneelvoorstelling op maat voor de gelovigen. Alsof je naar een vergrote miniatuur kijkt.

Salomé en Johannes de Doper

Op het linkerluik serveert Salome een schotel met het hoofd van Johannes de Doper aan haar oom en stiefvader Herodes en haar moeder Herodias. De achtergrond blikt terug op de onthoofding. Het banket weerspiegelt een feestmaal van de hoogste standen rond 1500: gerechten afgewisseld met zang en dans en spectaculaire optredens. Zoals dat van Salome. De page moet de bekers bijvullen.

Domitianus en Johannes de Evangelist

Op het rechterluik staat Johannes de Evangelist in een ketel met kokende olie. Het lijkt hem niet echt te deren. Keizer Domitianus en zijn gevolg kijken toe. Zij hebben een karikaturaal uiterlijk. Oosters. Dat is conform de traditionele beeldtaal. Die stelt het slechte voor als lelijk en vreemd. De Romeinse Porta Latina op de achtergrond ent zich op het Antwerpse Steen. De rijksadelaar verwijst naar het Romeinse Rijk.

Vlaamse primitieven, Italiaanse temperatechniek

Het middenluik leunt aan bij de traditionele verbeelding uit de 15de eeuw. Toch is het werk sterk vernieuwend. Massijs verzoent de noordelijke en zuiderse stijl. De compositie en de landschappen doen denken aan de Vlaamse primitieven. De figuren sluiten aan bij de zuiderse tradities. Conventionele houdingen wisselt hij af met delicate gebaren. Juwelen en weelderige stoffen smukken de dramatische gebeurtenissen op. De kleren van Maria en Johannes lijken geschilderd in tempera, op z’n Italiaans. Bovendien schemeren in de taferelen karakteristieken door van het ontluikende humanisme. Hierdoor is De Nood Gods een van Massijs’ merkwaardigste altaarstukken.

Massijs aka Metsijs

Quinten Massijs of Metsijs wordt geboren in 1466 als tweede zoon van een smid. De ‘Vlaamse Michelangelo’ maakt aanvankelijk vooral grote altaarstukken. Nadien geeft hij de voorkeur aan kleinere intieme werken, vaak voor zijn humanistische vrienden. In zijn werk evolueert hij van primitief naar uitgesproken renaissancistisch. Hij idealiseert de werkelijkheid. Een evenwichtige compositie, een afgewogen lichtverdeling, getemperde zachte kleuren die op elkaar inwerken, … Alles lijkt volmaakt.

De weg naar het KMSKA

Het altaarstuk van het schrijnwerkerambacht staat vanaf 1511 in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Antwerpen. In 1582 koopt een magistraat het en verhuist het naar het Antwerpse stadhuis. Acht jaar later keert het terug naar de kerk. In 1798 roven de Fransen Antwerpen leeg. De meeste kunstwerken gaan richting Parijs. Het altaarstuk niet. Het komt terecht in een Franse school in Antwerpen: de École Centrale du Département des Deux-Nèthes. Die draagt het in 1810 over aan het Academiemuseum. Een groot deel van de collectie van dat museum hangt en staat tachtig jaar later in het dan gloednieuw geopende KMSKA.

Lees meer